Na mijn interviews met zeventigers en tachtigers, ben ik benieuwd naar de Portie Veerkracht van andere generaties: hoe gaan zij om met de klappen in hun leven en kunnen ze daar net zo frank en vrij over vertellen?

In Zuid-Frankrijk leerde ik de Nederlandse Lydia Schmidt (1961) kennen. Sinds haar 26e verloor zij, met tussenpozen, haar broer, vader, moeder en zoon. Maar ze vermant zich, telkens weer. ‘Soms wou ik dat ik me wat zwakker kon tonen.’

‘Ik heb goed leren bluffen’

‘Nachtelijke telefoontjes jagen me nog steeds de stuipen op het lijf. Zo brengen ze me terug naar het ongeluk van mijn broer, nu 33 jaar geleden. Op z’n motor reed hij zich te pletter, stomdronken. Ruud is mijn grote broer, die nooit helemaal zijn weg kon vinden in het leven. Vanwege een vorm van dyslexie had hij moeite met contact maken, maar met alcohol op was hij wél joviaal en sociaal. De fles bleef dus aan hem trekken.’

‘Ik weet niet beter dan dat we ons zorgen maakten om hem. Even leek hij zijn draai te vinden in de verpleegkunde. Maar zijn onzekerheid en gebrek aan sociale vaardigheden nekten hem tijdens zijn stages. Hij moest zijn opleiding afbreken, rolde in allerlei baantjes, werd steeds doellozer. Ik was dol op hem, maar de drank zat ertussen.

‘Na zijn dood stortten mijn ouders in en sloeg ik als vanzelf aan het redderen’

‘Met de druk van een broer die veel reuring in het gezin bracht, had ik me al jong geschikt in de rol van brave dochter. Vooral met mijn moeder had ik een soort symbiotische verhouding; ze kon altijd op me rekenen. Maar nu draaide ik overuren: ik regelde de uitvaart, sprak er namens het gezin; bekommerde me om iedereen, behalve om mezelf.’

‘Datzelfde deed ik vijf jaar later, toen mijn vader een hartstilstand kreeg op de Duitse snelweg en in coma raakte. De traumahelikopter vloog hem naar het ziekenhuis, waar hij drie weken later overleed. Ook nu sprak ik op de crematie en organiseerde alles rondom zijn afscheid. Ik stond weer kranig te wezen, maar weet nog dat ik dacht: “Jongens, zoek het lekker uit met je dooien”. Verdrietig was ik en boos, ook op mijn broer; zijn dood had nooit mogen gebeuren. Het voelde alsof hij me had laten zitten met alle familie-sores.’

Verstikkend
‘Op elkaar aangewezen, werd de relatie met mijn moeder steeds stroever. Ze kon de situatie niet aan. Zo zorgzaam als ze kon zijn, zag ik haar nu op haar slechtst. Alles draaide om haar verdriet; voor dat van anderen had ze weinig ruimte. Wat eigenlijk haaks staat op de dierbare herinneringen uit mijn kindertijd. Mijn moeder was een oermoeder; haar hele leven wijdde ze aan ons, niets was te gek. Maar die over-bezorgdheid kon ook op je drukken, merkte ik steeds meer. Ze bleef maar waarschuwen voor alles wat fout kon gaan. Ik woonde allang samen met Guus, toen ik besefte hoe verstikkend dat voelde.

‘De impact van onze verliezen was onbespreekbaar en ik begon me steeds meer uit onze hechte moeder-dochterband te wurmen’

‘Guus en een kring van nauwe vrienden waren mijn vertrouwelingen; mijn moeder zag en sprak ik regelmatig, maar betrok ik, tot aan haar overlijden in 2012, niet meer bij mijn innerlijke wel en wee. En ondertussen perfectioneerde ik mijn “niet zeuren, aanpakken en hupsakee”-houding: kom maar bij mij, ik fix het allemaal wel, dat idee. Ik heb goed leren bluffen; maak me groter dan ik me van binnen voel. Zelfs Guus trapt er nog geregeld in.’

‘En dan moest onze zwaarste beproeving nog komen. Na lang tobben en almaar nieuwe specialisten raadplegen, werd in 2003 bij onze zoon Djim Ataxia-Teleangiëctasia ontdekt, een zeldzame ziekte die zijn fijne motoriek aantastte en waarmee hij niet ouder dan hooguit 25 jaar zou worden. Hij was 7 toen, liep wankel en ontwikkelde zich anders dan andere kinderen. Niemand wist waaraan dat lag, tot die fatale diagnose. Onze wereld stortte in, toch wist ik me te vermannen. Aan alles voelde ik: “Ik kan geen afscheid nemen van mijn kind. Maar ik ga het wel zo goed mogelijk doen, voor hem”. We waren vastbesloten om zijn korte leven waardevol te laten zijn.’

Drie-eenheid
‘Zachtmoedig, berustend en wijs als hij was, maakte Djim het ons makkelijk. We beleefden het moeilijkste met hem, maar hij was het beste kind dat je kunt hebben. We functioneerden als drie-eenheid, helemaal gericht op elkaar. De laatste jaren zorgde Guus fulltime voor hem. Verder concentreerden we ons op de alledaagse dingen, maar schuwden ook het avontuur niet: van rondreizen per motor of ezel tot parapenten in de bergen. We probeerden Djim in zijn beperkte tijd zoveel mogelijk betekenisvolle ervaringen te bieden. Onze eigen malheur parkeerden we; daar wilden we hem niet mee belasten.’

‘Mensen vragen geregeld: “Wist Djim dat hij dood ging? Heb je het er met hem over gehad?”. Ik vind dat zo’n moeilijk onderwerp. Moet je je kind voorbereiden op zijn overlijden? En: hoe dan? De laatste maanden kreeg ik een soort gedrevenheid om de weg voor hem te effenen, zijn angsten en zorgen te bespreken. Ik wilde het “juiste” doen voor hem, maar wat is dat? Hij wimpelde mijn pogingen af, zat er helemaal niet op te wachten. Achteraf denk ik dat de westerse opvatting is dat alles in woorden gegoten moet worden. 

‘Maar wat hadden we nog te bepraten of te bevestigen? Djim wist dat hij ons alles was. En over hoe je doodgaat kon ik hem ook niet wijzer maken’

‘Uiteindelijk was het de behandeling van een tumor die hem op zijn achttiende fataal werd. Bovenop zijn ziekte kreeg hij de pech van kanker. We wisten dat de zware chemokuren longschade konden toebrengen, maar met z’n drieën besloten we er toch voor te gaan. “Misschien kunnen we zijn leven nog iets rekken”, dachten we. Het heeft niet mogen baten. Op 10 maart 2015 is hij thuis in zijn eigen bed gestorven.’

‘Het was de eerste keer die ik me heugen kan, dat ik specifiek om hulp heb gevraagd. Djim kreeg zoveel moeite met ademen, dat we geen andere keus hadden dan de huisarts te verzoeken om hem morfine toe te dienen. Daarmee zou zijn leven eindigen. Onvoorstelbaar toch, dat je iemand iets vraagt te doen waardoor je kind dood zal gaan? Ik heb mijn beste vriendin gebeld: “Ik trek dit niet, wil je komen?” Zij en haar man waren erbij toen Djim stierf. Ik kan me er nog steeds over verbazen dat we staande zijn gebleven.’

‘Wat volgt op de dood van een kind, is het totale niets, weet ik nu. We zijn ouders van een zoon die er niet meer is; ons leven heeft aan betekenis verloren. Tijdens Djims ziekte hadden we besloten om maar een dag vooruit te kijken, dat was onze redding. We waren het verleerd om over onze eigen toekomst na te denken. Djim was het cement in onze relatie, we hadden zo’n duidelijk doel. Bijna vijf jaar verder zijn we daar nog steeds naar op zoek.

‘Vrij rap zijn we naar Frankrijk geëmigreerd, op de energie van ons verdriet’

‘De wens om in het zonnige zuiden vakantiehuizen te gaan verhuren hadden we al langer, maar het paste niet in ons leven. Nu wel. En geloof me, genoeg mensen hebben het ons afgeraden. Maar we vreesden het doelloze en snakten zo naar een nieuw perspectief. Emigreren is een enerverende aangelegenheid; die afleiding was zeer welkom en ik kon er al mijn daadkracht in kwijt.’

‘Dat we Nederland achter ons hebben gelaten, is niet het antwoord geweest op onze rouw; ons vertrek was overleving. Toch ben ik blij dat we het gedaan hebben. Het klimaat en de natuur zijn helend, onze logis de France loopt goed, de wanhoop is minder scherp. Maar ik ben er niet rustiger door geworden. Ook op het Franse platteland bestier ik het leven zoals ik dat deed in mijn werk als directiesecretaresse: temperamentvol, taakgericht, efficiënt. En ik zit bovenop mijn mail, bevreesd om reserveringen mis te lopen.’

Louterend
‘Dat zou best een tandje minder mogen, vind ik. Soms wou ik dat ik me wat zwakker kon tonen, meer de teugels kon laten vieren. Maar wat komt er dan? Ik ben bang dat er niets van me overblijft. Guus en ik hebben zo lang onze zorgen eronder gehouden; we weten niet beter en moeten duidelijk herstellen. Bij vlagen klotsen de tranen tegen mijn oogbollen, en laat ik ze toe. Net als mijn twijfels: heb ik het wel goed gedaan voor Djim? Als ik die knagende buien heb, merk ik dat mijn beste vrienden me graag willen geruststellen. Een keer, tijdens een diner, werd ik daar pissig om en riep: “Laat me toch boos zijn en me schuldig voelen. Jullie hoeven mijn verdriet niet glad te strijken”. Dat gesprek was zo louterend, voor ons allemaal eigenlijk. Ja, Lydia op haar kwetsbaarst: dat is echt wennen voor iedereen.’

Djim (1996-2015)


© Tekst en portret Lydia: Teus
Lebbing, www.abrandnewstory.nl



Voor meer interviews in de serie, klik op
:
 ‘Portie Veerkracht-reeks’

Meer lezen over veerkracht en persoonlijke groei? Check m’n blogpagina