IK BEN NIET MEER ALLEEN

Alle ‘Porties Veerkracht’ van de oudste generatie zijn voor mij – en de nog altijd groeiende groep lezers – een ware school of life gebleken. Mijn grootste les: de openheid waarmee de geïnterviewden hun worstelingen uit de doeken doen én de vrijheid die hen dat oplevert. Moet je oud & wijs zijn om je echte verhaal te kunnen vertellen, vroeg ik me af. Of kan dat ook op je 47e? Bij deze neem ik een proef op de som…

Is het mogelijk om een vrij leven te leiden terwijl je een geheim met je meedraagt? Teus Lebbing (1971) ontdekte hoe je wint aan veerkracht als je de schijn van je afschudt en mag zijn wie je bent.

‘Waarom hou ik zo van echte mensen met echte verhalen? En waarom kan ik zo slecht tegen geheimzinnigheid, pretenties en opgekropte emoties? Deze vragen hielden me al langer bezig, maar pas de laatste jaren beginnen de kwartjes te vallen. Ik denk dat ik zo’n hekel heb aan façades, omdat ik zelf zo lang toneel heb gespeeld.’

“Mijn start in het leven heeft daar vast alles mee te maken”

‘Ik ben geboren in april 1971, 5 maanden na de dood van mijn vader en 1 jaar na de dood van mijn babybroertje, die tijdens de bevalling overleed. 1970 was voor mijn moeder en voor mijn 3 jaar oudere broer dus een jaar vol verdriet.’

‘Wat daar nog eens bijkwam, was dat mijn vader geen natuurlijke dood gestorven was. Hij stapte op zijn 35e uit het leven. Hij was journalist en psycholoog, was een charismatisch persoon, maar had zich – zoals ik later begreep – nooit goed gevoeld over zichzelf. Jarenlang had hij via intensieve analyse geprobeerd een weg te vinden in het leven, en omdat hij sprongen vooruit maakte en weer leek te geloven in een toekomst, waren mijn moeder en hij vol goede moed een gezin gestart. Maar, zoals mijn moeder me later als uitleg gaf, heeft hij “het uiteindelijk niet gered”.’

“Toen mijn vader overleed, was mijn moeder drie maanden zwanger. Ze had twee grote verliezen te verwerken. En toen kwam ik”

‘Zoals ik het me herinner, ben ik overladen met liefde van mijn moeder. En ook van mijn broer kreeg ik veel aandacht. Mijn moeder was dapper, werkte als bedrijfsmaatschappelijk werkster, nam ondertussen genoeg tijd voor ons. We konden ons goed redden met z’n drieën. Maar over mijn vader werd met nauwelijks een woord gerept. Terugkijkend, is hij altijd de grote afwezige geweest. Ook op verjaardagen, met familie en vrienden om ons heen, sprak niemand over hem. Pas op mijn 12e vertelde mijn moeder me over de precieze toedracht van zijn dood. Eerder had ze dat niet gewild, omdat ze bang was dat het me tot een uitzondering zou maken op het schoolplein.’

‘Ik begrijp daar wel iets van – kinderen kunnen hard zijn onderling en zelfdoding was nog veel meer dan nu een taboe – maar ik weet niet of het míj ook goed heeft gedaan. Het voelde toch vooral alsof ik een groot geheim met mij meedroeg.’

‘Als kinderen vroegen waarom ik geen vader had, vermeed ik een antwoord of zei snel dat hij dood was om meteen over te gaan op een ander onderwerp. Later verzon ik dat hij was overleden aan een hartaanval. Wel zo makkelijk, dan was ik er meteen vanaf.’

“En ondertussen voelde ik het thuis heus wel: het verborgen verdriet, de schaamte, het schuldgevoel”

‘Mijn moeder was mijn alles, maar ik merkte ook hoe kwetsbaar ze was. En ikzelf bovendien. Want als haar iets zou gebeuren, wat dan? Waar bleef ik dan, wat moest ik dan?’

‘Mijn oplossing: het perfecte kind uithangen. Sterk zijn voor mijn moeder, slagen in alles wat ik doe, zoveel mogelijk pleasen en redderen. En vooral: vragen stellen! Vrienden, kennissen, onbekenden: iedereen overlaadde ik met vragen. Mocht iemand het lef hebben om zich in mij te verdiepen, dan pareerde ik dat kundig met allerlei gevatte antwoorden. En het gíng ook goed met me, dus welk ander verhaal zou ik moeten vertellen? Ik haalde mijn gymnasium, was goed in sport, verdiende mijn geld met allerlei baantjes, regelde een beurs om naar mijn gedroomde Amerikaanse highschool te gaan. Daarna volgden een studie in Amsterdam, in Frankrijk en ga zo maar door.’

‘Een geanimeerd sociaal leven had ik ook. Maar nu weet ik: vaak waren die vriendschappen niet in balans. Ik wist veel van de ander, maar de ander had geen werkelijk beeld van mij. Ik liet me niet of gedeeltelijk zien, want altijd lag er afwijzing op de loer. En als ik dan weleens schoorvoetend iets uit de doeken deed over mijn vader, dan kreeg ik nooit een reactie waardoor ik me beter voelde.

“Sterker nog: ik kreeg de indruk dat mensen me sneu vonden. En dat haatte ik. Want ik had toch een geslaagd leven?”

‘En trouwens: mijn moeder had het – met ook nog eens een Jappenkampverleden – altijd zwaarder.’

‘Hoe soepel alles ook leek te verlopen, durfde ik één ding nooit aan: me voluit in de liefde storten. Verliefd worden kon ik wel en deed ik ook graag, maar verliefd blijven? Niet te doen! Tegen een vriendin flapte ik er eens uit: “Dan moet ik 24 uur per dag op mijn best zijn, dat kan toch niet?” Het leek me hoogst ingewikkeld om me te binden en een evenwichtige relatie op te bouwen. En ik vond dan ook altijd een reden om dat ook vooral niet te doen.’

‘Uiteindelijk liep ik tegen de lamp natuurlijk. Ik had mijn vak gemaakt van het interviewen en schrijven dat ik zo graag deed, klom op binnen een journalistiek bureau, ging een redactie leiden en… putte mezelf compleet uit. Dat had ik op school en tijdens mijn studie wel vaker gedaan, maar nooit kwam het in me op om daar hulp voor te zoeken.

“Mijn manier was: me afzonderen, eindeloos slapen en weer komen bovendrijven zodra ik me beter voelde”

‘Als ik daar al met iemand over praatte, dan was het met mijn moeder. En die had (terwijl ze zelf maatschappelijk werkster was) nooit begeleiding ingeschakeld voor welk euvel ook en zette mij ook niet op dat spoor. We wilden niemand tot last zijn en zouden het zelf wel redden.’

Veilig

‘De ommekeer kwam rondom mijn 30e, toen ik mijn – nu – echtgenoot ontmoette. Tegen die tijd was ik alle niemendalletjes met onbereikbare mannen wel zat en wilde graag een stabiele relatie. Met hem was het liefde op het eerste gezicht. Bovendien gaf hij me een veilig en geborgen gevoel; alsof ik mezelf mocht zijn, met alles erop en eraan. Dat ik hem al redelijk rap over mijn vader vertelde was dus een logische stap. Maar echt duidelijk maken wat zijn dood voor mij betekende, kon ik niet. Ik had geen idee.’

‘Hoe groter onze liefde, hoe ingewikkelder de band met mijn moeder. Het kostte haar duidelijk moeite om mij los te laten. Ik was al veel eerder uit het nest gevlogen natuurlijk, maar mentaal bleef ik hangen. Ik voelde me loyaal en nog altijd verantwoordelijk voor haar geluk. Toen ik eens uitriep: “Mijn moeder moet in therapie”, reageerde mijn man: “Misschien moet jij dat zélf eens doen”.’

“Pislink was ik; met mij was toch niets mis?”

‘Toch heb ik zijn raad opgevolgd. Maanden gingen er overheen, voordat ik al mijn beschermlagen liet vallen. “Natuurlijk heb ik geen vader gemist”, beweerde ik nog stellig in een van de eerste sessies. “Hoe kun je nou iemand missen die je nooit hebt gekend?”

‘Dat bleek toch anders te liggen. 30 jaar na mijn vaders dood begon ik te rouwen, met alle verdriet en woede die daar bij hoort. Wat was ik ziedend soms! Maar vooral wilde ik hem begrijpen en ontdekken wie hij nu eigenlijk was. Familie, vrienden, velen die hem hadden gekend vroeg ik naar hem, tot een reis naar Australië aan toe, waar zijn broer woont. Dat leverde waardevolle gesprekken op, en inzichten. Want, oh, wat bleek ik op mijn vader te lijken. Maar ik was ook verbijsterd: waarom is er toch nooit over hem gesproken? Vanwaar toch al die geheimzinnigheid?’

‘Even leek het erop dat mijn moeder mijn zoektocht steunde. Maar ze kon het uiteindelijk niet. Te confronterend en te pijnlijk, bekende ze. Haar verdriet zat zo diep opgeborgen. Pas vlak voor haar dood, in 2014, heeft ze vrede gekregen met mijn vaders dood.’

Vrijheid

‘Of ik zijn keuze ooit echt zal begrijpen, weet ik niet. Zo ongeveer alle boeken en studies over suïcide heb ik bestudeerd, maar er is natuurlijk niets of niemand die me een sluitend antwoord kan geven. Wat ik inmiddels wel zeker weet, is dat hij radeloos was over zichzelf en ervan overtuigd dat wij zonder hem beter af zouden zijn. Het lijkt erop dat hij ons vrijheid gunde, zonder zijn ballast.’

‘Hoezeer ik dat rationeel ook kan behappen, kan zijn dood me op onverwachte momenten nog steeds overspoelen. Dan denk ik: was nog even blijven leven, dan had je kunnen zien hoe ik mijn best doe. Alsof ik hem had kunnen redden! En bij nieuws over Antonie Kamerling, Joost Zwagerman of een ander publiek figuur die uit het leven stapt, gaat er altijd een berichtje heen en weer tussen mijn broer en mij: ‘Wat klote toch voor dat gezin’.

‘Toen ik zelf kinderen kreeg, voelde ik ook weer zo’n ongeloof: hoe kan iemand in godsnaam zijn dierbaren verlaten? En soms is er ook gewoon keihard verdriet. Dan zie ik onze kinderen liefdevol in de weer met hun vader en denk: dat heb ik dus gemist.

“Een lieve tante zei mij ooit: “Jij kunt alles, behalve geloven in jezelf”

‘Inderdaad heb ik de neiging om me klein te maken en schiet ik gauw in de verdediging, bang om afgewezen te worden. Diep in mij is er ook altijd de angst om te vallen. En dat ik dan niet de kracht heb om op te staan. Maar ik weet dat nu. Als dat soort gevoelens me weer eens aanvliegt, kan ik dat herkennen en erover praten met mensen die me kunnen troosten en helpen, waarna ik makkelijker opveer.’

‘Dat is, denk ik, het belangrijkste wat het me heeft gebracht om na al die jaren – stap voor stap – “mijn verhaal” onder ogen te leren zien: ik ben niet meer alleen. Ik hoef me niet meer groter, stoerder en gaver voor te doen dan ik ben. Ik mag er gewoon zijn. En dat maakt het leven een stuk vrijer.’

Tekst: Teus Lebbing, www.abrandnewstory.nl

Foto: Hanneke Queens